|
|
|
|
De VOC
De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), heeft bestaan
van 1602 tot en met 1799. In 1730 werkten er meer dan dertig duizend mensen. De
VOC was het grootste bedrijf van de wereld. Handel maakte Nederland rijk in de
Zeventiende eeuw. Amsterdam werd de grootste haven van Europa. Vanuit alle
landen van de wereld werden er producten aangevoerd. De VOC kreeg op 20 maart
1602 toestemming van de Staten-Generaal om als enige Nederlandse organisatie
naar Azië te varen. De VOC was georganiseerd in zes kamers. De vestigingen van
deze kamers bevonden zich in Amsterdam, Middelburg, Rotterdam, Delft, Hoorn en
Enkhuizen. Afgevaardigden van deze kamers vormden samen het hoofdbestuur van de
VOC, dat naar het aantal leden de Heren Zeventien werd genoemd. om de goederen
in te kunnen kopen zette de compagnie in Azië een netwerk van
handelsnederzettingen of factorijen op. Belangrijke handelsposten waren in
India, China, Japan, Thailand, Ambon, Ceylon en Java. Op het eiland Java werd in
1619 de stad Batavia, het huidige Jakarta gesticht, die in feite het
hoofdkantoor van de VOC in Azië was. Peper vormde tot 1650 de helft van de
retourlading. Tot de andere helft behoorden kruidnagelen, nootmuskaat, kaneel,
suiker, katoen en zijde. Een klein deel bestond uit koper, tin, gommen, rotan en
salpeter. In de achttiende eeuw kwamen er nieuwe producten bij zoals thee,
koffie en porselein. De goederen werden in pakhuizen opgeslagen. De leiding
beruste bij de pakhuismeesters. Er werkten sjouwers die de zakken, kisten en
vaten moesten versjouwen. De taak van de kruidlezers was om de specerijen te
sorteren het vuil er uit te verwijderen de voorraden te administreren en de
sjouwers te controleren op smokkel. Dankzij de Aziatische producten ontstonden
er in de steden nieuwe industrieën zoals katoendrukkerijen en
suikerraffinaderijen. Nieuwe winkels verschenen in het stadsbeeld zoals
kruideniers, koffie- en theezaken, stoffen en porseleinwinkels. De VOC schepen
werden op de eigen scheepswerven gebouwd. Er werden retour schepen gebouwd maar
ook kleinere schepen zoals fluiten, jachten en galjoten. In de eerste honderd
jaar van het bestaan van de VOC verdiende de VOC het meeste geld. Mede daarom
wordt de zeventiende eeuw ook de Gouden Eeuw genoemd. Niet alleen de kooplieden
werden rijker. Het geld dat ze verdiend hadden, werd in Nederland uitgegeven.
Daardoor hadden ambachtslieden, kruideniers en kleermakers het vreselijk druk en
verdienden zij er ook veel geld aan. De kooplieden lieten aan de Amsterdamse
grachten de mooiste huizen bouwen. Ze gaven vaak opdracht om schilderijen te
maken. Van henzelf als belangrijk persoon, maar ook van hun schepen, hun
ontdekkingsreizen en zeeslagen. Voor mensen die in de steden woonden was de
Gouden Eeuw een fantastische tijd. Maar niet voor iedereen. Loonarbeiders en
arme mensen bleven arm. Dat was de grootste groep. Voor eten en kleding moesten
ze naar de armenzorg. Daar kregen ze ook soms een homp brood en wat waterige
melk. Meestal moesten ze bedelen en stelen. Rondzwervende jongens werden naar
een weeshuis gebracht. Als een VOC schip weer eens een bemanning zocht,
probeerden sommige van deze jongens zich in te schepen. Dan waren ze zeker een
jaar weg uit die rot stad met ratten en lekkende huizen. Het eten aan boord was
meestal ook beter dan thuis. In de achttiende Eeuw liepen de winsten van de VOC
sterk terug. De officiële opheffing vond plaats op 31 december 1799.
|
|